Leervolgsysteem Kijk

I. Inleiding ‘Kijk'
Onze grootste bekommernis is om kinderen zo goed mogelijk te begeleiden en te ondersteunen in hun totale ontwikkeling. Wanneer een kind het wat moeilijk heeft met de fijne motoriek, is het volgens ons belangrijk om samen te werken met de ouders en deze motoriek zo goed mogelijk in te oefenen op allerlei manieren: enerzijds door het montessorimateriaal in de klas te gebruiken, maar anderzijds ook door in de thuissituatie jullie kinderen mee op te volgen. Een kind dat leert om zelf zijn jas aan te trekken, moet thuis er ook de kans toe krijgen. Op die manier is er een goede samenwerking tussen de klas en het thuisfront.

‘Kijk' is een soort registratiemodel waarin de totale persoonlijkheid van een kleuter wordt voorgesteld.

Het is in dit model niet de bedoeling dat we kleuters echt gaan testen op één bepaald moment. Wel willen wij als juffen anders leren kijken naar kinderen en een kind beoordelen op lange termijn.
Even verduidelijken met een voorbeeld.
Meestal spelen jonge kinderen vaak los van elkaar met auto's en blokken. Op een zekere dag merk je dat ze samen overleggen om te bepalen waar de gemeenschappelijke garage of parking is. Op zo'n moment kan je concluderen dat ze nu in staat zijn om samen spelmomenten en situaties te creëren. De stap van alleen spelen met iets, is veranderd in samen overleggen.

‘Kijk' is dus geen testafname, maar het registratiemodel creëert bij de juffen een bepaalde soort ingesteldheid die hen toelaat de ontwikkeling van een kleuter van nabij te volgen.

Door ‘kijk' te introduceren zien we heel goed waar een kind precies in zijn ontwikkeling is, welke stappen of ontwikkelingsaspecten het geleerd heeft en welke volgende leerstappen het zal moeten nemen. Door een totaal ontwikkelingskader te hanteren, krijgen we een beter zicht op de volledige ontwikkeling van elk kind.

‘Kijk' is een werkwijze die kijken naar kinderen als vertrekpunt neemt en ‘kijk' maakt het eenvoudiger door structuur te bieden in een totaal ontwikkelingskader. De totale ontwikkeling van een kleuter wordt op deze manier in kaart gebracht.

‘Kijk' levert aandachtspunten op voor het individuele kind of voor de leerkracht. Even illustreren met een voorbeeld.

Stel dat de fijne motoriek van een kind niet zo goed ontwikkeld is, dan zal er ook een probleem te zien zijn in zijn tekenontwikkeling. Wanneer zijn fijne motoriek door te oefenen beter ontwikkeld wordt, zal het kind het leuker vinden om te gaan tekenen en zal het dus ook vorderingen maken in dit vakgebied.

‘Kijk' is een observatie-instrument waarmee het ontwikkelingsverloop van kinderen over langere tijd kan worden geregistreerd.

Kinderen mogen zes maanden afwijken van het gemiddelde. Er is pas sprake van voorsprong of achterstand als deze afwijking groter is dan zes maanden. Zes maanden voorop of achterop zijn, is geen probleem. Met behulp van ‘kijk' worden heel wat gegevens verzameld met betrekking tot :

* achtergrond van het kind
* de basiskenmerken
* de betrokkenheid
* de mogelijke aanwezige risicofactoren
* de ontwikkelingslijnen per deelaspect
o sociale en emotionele ontwikkeling:

* zelfbeeld
* relatie met volwassene
* relatie met kinderen

o speel en werkgedrag:

* spelontwikkeling
* taakgerichtheid en zelfstandigheid

o motoriek:

* grote
* kleine
* tekenontwikkeling

o zintuiglijke waarneming:

* visueel
* auditief

o mondelinge taalontwikkeling

o lichaamsoriëntatie

o ruimtelijke oriëntatie

o tijdsoriëntatie

o symboolverkenning:

* geletterdheid
* inzicht in cijfers en getallen

o ontwikkeling van het logische denken

II ONTWIKKELING - LEREN
Kleuters zijn continu in ontwikkeling. Net zoals baby's. Vandaag oefent het kind nog om te leren stappen en morgen kan het plots stappen. Sommige kinderen kunnen vroeg stappen, anderen leren het iets trager. Toch kan je na een aantal jaren niet meer zien wie er snel of traag heeft leren stappen. Niet elk kind dat net iets sneller is met een leeraspect, behoudt zijn voorsprong. Als het kind echter ook talent heeft voor dat leerdomein, dan kan die voorsprong wel blijven. Of omgekeerd, als het kind geen voeling heeft voor een bepaald domein, kan die achterstand blijven.

Zich ontwikkelen wil dus zeggen dat kleuters zich fundamentele inzichten en/of mogelijkheden van cognitieve, zintuiglijke en sociaal emotionele aard eigen maken. Meestal gaat er een langere periode van oefening en rijping aan vooraf. Kinderen ontwikkelen zich continu in interactie met hun omgeving. Maria Montessori spreekt hier van ‘de gevoelige perioden'.

Er is een verschil tussen ‘ontwikkelen' en ‘echt leren'. Het tekenen van kopvoeters zal niet veranderen zolang het kind niet voldoende ruimtelijke inzichten en lichaamsbesef heeft. Hier spreekt men van ontwikkelen. Het kind heeft eerst het nodige inzicht nodig om nadien een ontwikkelsprong te maken. Het opzeggen van de getallen tot tien, wat enkel geheugentraining is, is een voorbeeld van een echte leeractiviteit. Ontwikkelen en leren hangen uiteraard aan elkaar vast en vullen elkaar zeer goed aan. Het ene kan niet zonder het andere.
De bedoeling van ‘kijk' is dat we kinderen maximale kansen geven en dat we ook situaties creëren opdat ze zich met hun talenten en met hun tekorten zo goed mogelijk zouden ontwikkelen.
III BASISKENMERKEN
Er zijn drie grote basiskenmerken :

* vrij zijn van emotionele belemmeringen
* nieuwsgierig, ondernemend en onderzoekend zijn
* zelfvertrouwen hebben, stabiel en gezond zelfbeeld

De basiskenmerken van elk kind vormen de fundamenten van het observatiesysteem. Het eerste wat we ons afvragen is of het kind geen emotionele belemmeringen heeft. Zit het kind lekker in zijn vel? We gaan dus na of het kind zich goed voelt. Een ontspannen lichaamshouding en -bewegingen tonen dat aan. Kinderen die gespannen zijn, hebben het moeilijker om zich open te stellen voor nieuwe uitdagingen.

Kleuters zitten vol leven en veel energie, ze moeten dus een gezonde mate van ondernemingslust tonen. Materialen uit de omgeving hebben een grote aantrekkingskracht. Het kind wil actief zijn. Het zoekt regelmatig iets nieuws of het probeert tot andere oplossingen te komen.

Een kleuter met zelfvertrouwen straalt dat uit, het durft zich tonen en laten horen. Zo'n kind neemt initiatieven, gaat uitdagingen aan en durft ook wel eens een risico nemen. Deze drie basiskenmerken staan niet los van elkaar, maar overlappen elkaar gedeeltelijk. Een kind kan pas echt goed tot leren komen als deze drie basisveiligheden positief zijn.
IV BETROKKENHEID
Het begrip ‘betrokkenheid' is afkomstig uit het ervaringsgerichte onderwijs. Nochtans ontdekte Maria Montessori begin vorige eeuw al dat een kind dat sterk betrokken was op het aanleren van een vaardigheid of leerstof, zo aandachtig kon zijn dat het de hele wereld vergat. Zij noemde dit ‘de polarisatie van de aandacht'. Dat noemt men nu ‘betrokkenheid'.
Het woord spreekt voor zichzelf, we willen betrokkenheid creëren ten opzichte van datgene waarmee een kind bezig is.

Wanneer het kind betrokken is bij een activiteit zal de kans op ontwikkeling het grootst zijn.
Hoe kunnen we nu meten of een kind betrokken is? Een kind dat echt betrokken is, is erg aandachtig en gedreven. De motivatie om iets voor elkaar te krijgen komt voort uit een gezonde nieuwsgierigheid en exploratiedrang. Ook de lichaamstaal is belangrijk. Non-verbale tekenen zijn immers een grote hulp bij het beoordelen van de term betrokkenheid.

We onderscheiden vijf schalen van betrokkenheid.

1. geen activiteit
2. vaak onderbroken activiteit
3. min of meer aangehouden activiteit
4. activiteit met intense momenten
5. volgehouden intense aandacht

Betrokkenheid is niet iets wat zich volgens vaste stadia ontwikkelt. Het is geen ontwikkelingsaspect waarvoor je een ontwikkelingslijn kan opstellen. Informatie over de betrokkenheid van kinderen vinden we nochtans essentieel bij de interpretatie van de andere gegevens. Wanneer er sprake is van geringe betrokkenheid bij het kind én wanneer er ook lage scores in het registratiemodel aanwezig zijn, dan zegt dat enerzijds iets over het aanbod van de leerkracht, maar dan kan je ook de lage scores te verklaren. Natuurlijk is het niet zo dat ieder kind op elk moment van de dag het vierde of vijfde niveau van betrokkenheid moet halen.
V. RISICOKINDEREN
Risicokinderen hebben uiteraard extra ondersteuning nodig. Wij zullen die bieden, maar er is eventueel ook externe hulp of extra begeleiding nodig.

Een aantal kenmerken kunnen op risico's wijzen en kinderen dus ook in hun ontwikkeling belemmeren. Zes risico's nemen we onder de loep.

Impulsieve kinderen
Kinderen laten hun handelen afhangen van allerlei toevalligheden. Deze kinderen zijn slecht in staat om een werkje of taak volgens een bepaald vooropgezet plan uit te voeren. Meestal is hun strategisch handelen onvoldoende geoefend. Vaak zie je bij deze kinderen dat ze lukraak iets uitproberen. Ze vragen zich niet af wat de bedoeling van de opdracht is en ze staan niet stil bij de mogelijkheden van het materiaal. Ze beginnen direct, zijn overactief, maar de activiteit gebeurt in het wilde weg. Hier kan je als ouder aan werken door korte duidelijke opdrachten te formuleren en ze hen ook te laten voeren. Als je bij je kind gaat zitten terwijl het met een taak bezig is, kan je het ook ondersteunen. Langzaam bouw je deze ondersteuning af zodat ze uiteindelijk zelfstandig een korte duidelijke opdracht kunnen uitvoeren.

Passieve kinderen
Passiviteit duidt op een gebrek aan initiatief, gebrek aan nieuwsgierigheid en het uitblijven van de drang om dingen te onderzoeken. Er is een tekort aan intellectuele belangstelling. Deze kinderen helpen hun ontwikkeling onvoldoende vooruit. Dit kan je verhelpen door dingen aan te bieden die in hun leefwereld erg belangrijk zijn. Sommige kleuters zijn gek op vrachtwagens, tractors, dino's.

Kinderen die een slechte selectieve aandacht hebben
Deze kinderen kunnen hun aandacht moeilijk richten op één bepaald aspect. Ze kunnen die gerichtheid ook lang volhouden. Bij mondelinge instructies pikken ze maar één aspect op dat toevallig hun aandacht trekt, ze reageren meestal zeer associatief. Ze dwalen gemakkelijk af en dromen vaak weg. Tijdens kringgesprekken dwalen ze gemakkelijk af. Je kan er wat aan doen door pictogrammen te gebruiken of materiaal inschakelen dat de aandacht vasthoudt. Je kan ook stap voor stap samen handelen, telkens weer met het doel om zijn aandacht selectief te leren richten.

Kinderen met een gebrekkige analyse en structurering
Hier situeert het probleem zich vooral bij het opnemen en verwerken van de gegeven informatie. De informatie die wordt gegeven vliegt als het ware over het kind heen, het kind krijgt er geen vat op, het weet niet wat het ermee moet aanvangen. Deze kinderen zullen het moeilijk hebben om de gegeven informatie te verwerken. Ook het zelfstandig plannen zal moeizaam verlopen.

Kinderen die moeite hebben met abstraheren en generaliseren
Deze kinderen doorzien vaak niet wat er in een situatie het essentiële is. Zodra de situatie enigszins anders is dan de oorspronkelijke, kunnen ze het geleerde niet meer toepassen. In feite komt het hier op neer dat elke variante op een bepaald leeraspect terug opnieuw moet aangeleerd worden.

Grote vermoeidheid
Het gaat hier zowel over fysieke als psychische vermoeidheid. Dit wordt nog vlugger zichtbaar bij vaardigheden of activiteiten waar weinig of geen materiaal bij te pas komt.

Het ‘kijk'registratieformulier kan je steeds inkijken bij de juf van je deugniet.